BLOG: De terugkeer van de burger in de rechtsstaat

Ik neem u graag even mee naar het Noorden. Zo’n half uurtje rijden van Groningen, in het dorpje Zevenhuizen, woont het hoogbejaarde echtpaar Groefsema. Meine is 82 en zijn vrouw Trientje 83. Sinds 1970 wonen ze met veel plezier in het dorp. Maar in de jaren negentig krijgen ze te maken met de gevolgen van de gaswinning. 

Auteur: Marc Hertogh, hoogleraar rechtsssociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en commissielid van de Staatscommissie rechtsstaat.


Ze wonen dicht bij de gasopslag en dat leidt tot verzakkingen en scheuren in de muren. Mensen in de buurt hebben daarom hun schade gemeld bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), en in alle gevallen wordt aangetoond dat de schade het gevolg is van de gaswinning. De bewoners krijgen een schadevergoeding. 

Mijnheer Groefsema meldt zijn schade wat later en tot zijn verbazing krijgt hij de horen dat zijn schade niet het gevolg is van de gaswinning. 'Dat is een raar verhaal', denkt Groefsema, en na wat aarzeling en hulp van zijn kleinzoon, besluit hij toch maar om aan te bel te trekken. Maar na een procedure van ruim twee jaar houdt het IMG voet bij stuk. Het enige dat dan nog rest, is de gang naar de rechter. En na weer een jaar wachten, gaf die de familie Groefsema begin dit jaar op alle punten gelijk. Zij hebben recht op 13.000 euro schadevergoeding.

Marc Hertogh spreekt in microfoon
Beeld: ©Marieke Duijsters / Staatscommissie rechtsstaat
Deze tekst heeft Marc Hertogh uitgesproken als ‘pitch' tijdens het symposium ‘De terugkeer van de burger in de rechtsstaat’ (Universiteit Utrecht, 13 oktober) en als introductie bij het open forum van de Staatscommissie rechtsstaat (Utrecht, 20 oktober).

Dit leidt natuurlijk tot grote vreugde in huize Groefsema. Na een lange en ingewikkelde procedure krijgen ze eindelijk waar ze recht op hebben. Maar de vreugde is van korte duur. Twee dagen na de uitspraak krijgen Meine en Trientje slecht nieuws: het IMG – de overheid – gaat in hoger beroep. Na drie jaar procederen, begint alles weer van vooraf aan en begint voor hen opnieuw een lange onzekere periode in een kapot huis. Meine is inmiddels 85 en Trientje 86.

Deze zaak illustreert drie blinde vlekken van de rechtsstaat op het gebied van nazorg, burgers en machtenscheiding.

Nazorg

Dit laat allereerst zien dat we te weinig oog hebben voor de nazorg van juridische procedures. Vanuit een juridisch perspectief is er in deze casus niets aan de hand. Maar vanuit het perspectief van Meine en Trientje is het doorzetten van het hoger beroep wel heel erg kil en meedogenloos.

Bij de rechtsbescherming tegen de overheid stellen we vooral de vraag: 'Wat is het recht?', maar veel minder vaak: 'Wat komt ervan terecht?' Het is alsof we een peperdure Ferrari hebben gebouwd, maar zonder achteruitkijkspiegel. Hier was er vooral een gebrek aan nazorg bij wetgever en bestuur, maar in andere zaken – zoals de Toeslagenaffaire – zou ook de bestuursrechter meer aan nazorg kunnen doen.

Burgers

Deze zaak laat ook zien dat het recht voor sommige burgers beter werkt dan voor anderen. Op papier heeft iedereen dezelfde rechten. Maar in de praktijk zijn juridische procedures voor veel mensen zoals Meine en Trientje te complex, te duur en te onzeker.

Onderzoek van het SCP laat zien dat er sprake is van een tweedeling. Theoretisch opgeleide mensen – die zelf weinig te maken hebben met de overheid – zijn tevreden. Maar praktisch opgeleide mensen – die juist afhankelijk zijn van de overheid – hebben veel minder vertrouwen in de rechtstaat. Met andere woorden: juist voor die mensen die de rechtsstaat het meeste nodig hebben, schiet de rechtsstaat tekort.

Als we hier iets aan willen doen, moeten we misschien ook met een andere blik naar rechtsbescherming gaan kijken. Niet 'zónder aanziens des persoons': waarbij iedereen op precies dezelfde manier wordt behandeld, maar juist 'mét aanziens des persoons': waarbij we meer letten op de persoonlijke situatie van burgers.

Machtenscheiding

Ten slotte blijkt uit deze zaak dat effectieve rechtsbescherming niet alleen een zaak is van de rechter. In de klassieke rechtsstaat hechten we veel waarde aan het principe van machtenscheiding. Maar de zaak van Meine en Trientje had er waarschijnlijk heel anders uit gezien als wetgever, bestuur en rechtspraak niet náást elkaar, maar mét elkaar hadden gewerkt.

We noemen ons staatsbestel deftig de trias politica. Maar in de praktijk lijkt het soms meer op de keuken van een gemiddeld studentenhuis. Overal hangen briefjes met 'ruim je eigen spullen op', maar omdat niemand zich verantwoordelijk voelt voor het geheel, is het vaak een bende.

Op dezelfde manier is rechtsbescherming niet alleen een zaak voor bezwaar en beroep, maar moet de bescherming van burgers centraal staan bij alle onderdelen van de overheid.

Wat komt ervan terecht?

Ik sluit af met een positieve noot. Nadat de zaak van Meine en Trientje in het nieuws kwam, heeft de staatssecretaris ingegrepen. Voortaan gaat de overheid in dit soort zaken niet meer in hoger beroep, maar vraagt ze om een prejudiciele uitspraak. Dit laat zien dat meer rechtsstatelijke nazorg geen abstract tekentafelidee is, maar dat het ook heel goed kan worden omgezet in concrete maatregelen.

Kortom, de rechtsbescherming tegen de overheid kan aanzienlijk worden versterkt als we voortaan niet alleen vragen 'wat is het recht?', maar ook: 'wat komt ervan terecht?' Dit is, in mijn ogen, een belangrijke stap voor de transitie van een bureaucratische naar een responsieve rechtsstaat.